truffel
Uiterlijk
- truf·fel
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘paddestoelsoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1514 [1]
enkelvoud | meervoud | |
---|---|---|
naamwoord | truffel | truffels |
verkleinwoord | truffeltje | truffeltjes |
- Tuber, een zwam die onder de grond op de wortels van bomen groeit
- een in cacao-poeder gewenteld balletje chocoladeschuim
1.
- Het woord truffel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "truffel" herkend door:
100 % | van de Nederlanders; |
99 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "truffel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be